Get Adobe Flash player
Home Handleidingen Begrippenlijst

Aberratie:

Aberratie is de verzamelnaam voor beeld- of lensfouten in een optisch instrument. Het woord is afgeleid van het Latijnse "ab" (af-, weg-) en "errare" (dwalen). Veel lensfouten verminderen als het diafragma gesloten wordt. Bij een verder volmaakte lens wordt echter het scheidend vermogen beperkt door diffractie, die op zich ook weer afhankelijk is van het diafragma. Hierdoor hebben veel lenzen een optimale beeldscherpte als het diafragma ongeveer twee stops kleiner is dan de maximale lensopening.

Er zijn vele vormen van deze beeld- of lensfouten:

  • chromatische aberratie: een optische fout van lenzen en lenzensystemen die ontstaat doordat licht van verschillende golflengten niet in dezelfde mate wordt gebroken aan de lensoppervlakken. De oorzaak hiervan is dispersie (kleurschifting), een materiaaleigenschap van glas en van andere optische media. (zie ook apochromatische correctie)
  • niet chromatische aberratie:
    • sferische aberratie: de afbeeldingsfout van een lens, een spiegel of een lenzenstelsel, die wordt veroorzaakt doordat bij een zuivere bolvorm parallelle lichtstralen die op verschillende afstanden van de optische as binnenvallen, niet in hetzelfde brandpunt samenvallen.
    • astigmatisme: een optische afwijking (aberratie), een optisch systeem verschillende brandpuntsafstanden heeft voor stralen die zich voortbewegen in onderling loodrechte vlakken. In het beeld van bv. een kruis (+) is dan de horizontale lijn scherp op een andere afstand dan de verticale. Zowel lenzen als spiegels kunnen astigmatisme vertonen.
    • coma: een beeldfout die veroorzaakt wordt door asymmetrie in een optisch systeem. Coma (van het Latijnse coma: haar) kan zowel bij lenzen en lenzensystemen als bij spiegeloptiek optreden. Door coma worden beeldpunten buiten de optische as niet puntvormig maar meer komeetvormig afgebeeld, en wel des te sterker naarmate ze zich verder van de optische as bevinden.
    • vignettering: (of lichtafval) is het afnemen van de helderheid in de hoeken van een afbeelding of foto, ten opzichte van het midden.
    • beeldveldwelving: bij lenzen, objectieven of spiegelsystemen spreekt men van beeldveldwelving als deze van een vlak object een beeld vormen dat niet vlak is, maar gekromd.
    • vertekening: van een beeld is sprake wanneer een lenzenstelsel rechte lijnen uit de werkelijkheid niet als rechte lijnen afbeeldt. Soms, zoals bij een Fisheye-objectief of digitale manipulatie, is vertekening met opzet aanwezig interne reflecties
    • kleurzwemen

Achromaat:

Een achromaat is een lenzenstelsel, bestaande uit twee aan elkaar gekitte lenzen, die twee kleuren uit het spectrum in hetzelfde brandpunt samen voegt. Het betreft in het algemeen blauw en groen. De achromaat corrigeert chromatische abberatie.

Actiniteit:

Onder actiniteit verstaan we de mate waarin stoffen veranderen wanneer deze aan licht worden blootgesteld. Denk daarbij bijvoorbeeld aan fotografische emulsie bij analoge fotografie.

Anamorfotische lens:

Een anamorfotische lens is een lens, die een beeld in de breedte of in de hoogte kan samendrukken. Het beeld is dan natuurlijk sterk vertekend maar kan in weer de juiste verhoudingen worden geprojecteerd door bij projectie een soortgelijke anamorfotische lens te gebruiken.

Aperture:

Zie diafragma

Apochromatische correctie:

Een techniek waarbij een objectief voor de drie primaire kleuren wordt gecorrigeerd en daarmee geheel vrij is van chromatische aberraties (dispersiefouten).

APS:

Advanced Photo System (APS) is een filmformaat voor fotografie. De film is 24 millimeter hoog (normaal kleinbeeldfotografie is dit 35 mm) en heeft drie beeldformaten:

H voor "HDTV" (30.2 x 16.7 mm; aspect ratio 16:9; 4x7" print)
C voor "Classic" (25.1 x 16.7 mm; aspect ratio 3:2; 4x6" print)
P voor "Panorama" (30.2 x 9.5 mm; aspect ratio 3:1; 4x12" print)

ASA:

De filmgevoeligheid van een filmrol, fotorolletje of digitale camera wordt uitgedrukt in een getal, waarvoor een aantal normen kunnen worden gebruikt. De gevoeligheidsnormen ISO/ASA (International Organization for Standardization/American Standard Association) en DIN (Deutsches Institut für Normung) berusten op de hoeveelheid licht die nodig is om de zwakste impressie van licht op de fotografische film te doen ontstaan. Hun definitie is gebaseerd op een gemiddelde gradatie bij normaal ontwikkelen. De standaard staat bekend als ISO 5800:1987. Zie ook ISO.

Asferische optiek:

In de optica wordt onder asferische optiek een lens, een spiegel of een combinatie hiervan verstaan waar ten minste één spiegel- of lensoppervlak niet bolvormig (sferisch) is – en ook niet vlak – maar een afwijkende vorm heeft, bijvoorbeeld paraboloïdisch, hyperboloïdisch, ellipsoïdisch of anderszins. Asferisch betekent letterlijk niet-bol.

We spreken van een asferisch oppervlak bij een lens die geen perfecte bolvorm heeft. Een asferische lens wordt toegepast om lensfouten te voorkomen. Moderne objectieven bevatten vaak meerdere asferische lenzen.

Aspect ratio:

De aspectratio is de verhouding tussen de langste zijde en de kortste zijde van een opname (foto). In het 5×4, 3x2 (bijvoorbeelde kleinbeeld), 4x3 (het zogenaamde Micro four thirds formaat) en uit de breedbeeld televisie over komen waaien 16x9 formaat. Over de problemen die de aspectratio bij afdrukken of printen kan geven vindt u meer in het onderstaande artikel (bron http://www.em-ha-em-art-productions.nl/fotoblog/):

Aspectratio en afdrukken:
Iedereen die ooit in een fotozaak heeft gewerkt waar men ook foto’s in kon leveren om af te drukken kent het verschijnsel van de klagende klant over Oom Piet die bij de opname nog net op de foto stond en nu van de foto verdwenen is terwijl minder gezellige mensen er nog gewoon opstaan. Uiteraard is dit de schuld van degene die de foto’s heeft afgedrukt en omdat die niet aanwezig is, is het bedienend personeel in de fotozaak de klos. Want Ome Piet staat wel degelijk op het negatief. Weliswaar aan de kant, maar hij staat erop.

Wat er echter mis gegaan was is simpelweg een niet kloppende aspectratio. We gaan voor de uitleg eerst even naar de 35mm kleinbeeld film. We hebben dan te maken met negatieven van 36 mm lang en 24 mm hoog.

De aspectratio is de langste kant gedeeld door de kortste kant. In het geval van een kleinbeeldopname dus 36/24 ofwel 3 op 2 ofwel 1,5. Een dergelijke opname kan probleemloos worden afgedrukt op elk velletje papier dat ook die verhouding heeft. Maar in de praktijk is het minder probleemloos.

Gangbare papierformaten waren met daarbij tussen haakjes de aspectratio 6 x 9 (1,5), 9 x 13(1,44), 13 x 18(1,38), 18 x 24(1,33) en 24 x 30(1,25). We zien dan dat het kleine 6 x 9 formaat nog precies paste, maar elke vergroting werd het verschil tussen de aspectratio van het papier en die van het negatief groter. De dalende aspectratio’s van het papier geven aan dat de vergrotingen eigenlijk steeds vierkanter werden (een vierkant heeft een aspectratio van 1)

Dus als oom Piet nog goed paste bij een 6x9 formaat, dan zagen we hem met een beetje pech bij een 30x40 formaat niet meer terug. Want een passend vel papier zou 1,5 x 30 ofwel 45 cm lang moeten zijn. Er valt dus maar liefst 5 cm af.

Nu een uitstapje naar de digitale wereld. Daar zijn verschillende sensors met verschillende aspectratio’s in omloop. Hier wordt gebruik gemaakt van printers die de gangbare kantoorformaten papier gebruiken. In Europa is dat meestal de A0 – A7 reeks, waarvan “het A-viertje” van 21 x 29,8 cm het meest bekend is. Door de manier waarop deze reeks tot stand komt zien we hier in alle formaten een aspectratio terugkomen die rond de 1,4 ligt. Ook op dat formaat gaat ons kleinbeeld negatief niet passen…

Maar hoe zit dat dan bijvoorbeeld met een modern 16x9 breedbeeldformaat? Dit heeft een aspectratio van 16/9 ofwel 2,11. Dat gaat heel mooi passen op uw breedbeeldmonitor. Maar bij het afdrukken zult u naar een zeer afwijkend papierformaat uit moeten wijken want bijvoorbeeld een A4 zou maar liefst 2,11*20,9 = 44 cm lang moeten zijn om te passen en komt dus ruim 14 cm te kort.

Dan past niet alleen Ome Piet niet meer maar ook zijn buurman kan het vergeten. Gelukkig maar dat iedereen tegenwoordig zelf print en de arme bediening in de fotohandel er niet meer mee lastig gevallen wordt. Het probleem kan verminderd worden door van een rol te printen en dan het papier op maat te snijden maar welke amateur bezit een printer die van de rol werkt? Willen we echt een exacte weergave dan zullen we voor een dergelijke afdruk dus al snel aan een vaklaboratorium met bijbehorende vakprijzen vervallen.

Astro fotografie:

Astrofotografie is het fotograferen van niet aardse objecten, zoals de zon, maan, planeten, sterren, kometen en nevels (hemellichamen). Hierbij wordt een normale telescoop met verwisselbaar oculair gebruikt waarbij een verbinding met de camera het oculair moet vervangen. Met een moderne digitale spiegelreflex kan men in het algemeen nog betere opnamen maken dan met de digitale compact-camera’s; dat behoeft geen betoog. Voor de astrofotograaf die zwakke objecten wil fotograferen, hebben de digitale camera’s echter een groot nadeel; ze bezitten een filter dat het infrarood tegenhoudt. Ze blokkeren daarmee een – juist voor zwakke objecten - belangrijk deel van het spectrum. Dat filter is weliswaar uit de camera te halen, maar dan is de camera niet meer geschikt voor de normale fotografie. Er is echter een ontwikkeling gaande om deze camera’s zo aan te passen dat ze zowel voor deze tak van de astrofotografie als voor de normale fotografie. Dit uiteraard voor een meerprijs.

Backdrop:

Een backdrop is een nep-achtergrond die achter het model wordt geprojecteerd in een studio. Ook wordt de term algemener gebruikt waarbij men het dan bijvoorbeeld over een achtergronddoek heeft. Bij het gebruik van een backdrop is de achtergrond direct zichtbaar, in tegenstelling tot het gebruik van Chromakey waarbij we de achtergrond later met een nabewerkingsprogramma toevoegen. Het voordeel ten opzichte van Chromakey is dat het model er ook direct op kan reageren en niet “denkbeeldig” hoeft te reageren op iets wat niet te zien is (maar later pas nog moet worden toegevoegd met fotobewerking).

Belichting:

Zowel bij een klassieke filmcamera als bij een digitaal toestel komt het beeld tot stand door de belichting van de chemische film of de CCD-sensor in de camera. De hoeveelheid licht wordt bepaald door de combinatie van diafragma en sluitertijd.

Hoe meer licht de film of CCD bereikt, hoe helderder het beeld. Als er te weinig licht op de film of CCD valt, is het resultaat een onderbelichte opname. In de meeste camera’s wordt de belichting automatisch geregeld: de camera berekent op basis van het aanwezige omgevingslicht zelf de juiste combinatie van diafragma en sluitertijd.

Belichtingscompensatie:

Een instelling die de automatisch berekende belichting verhoogt of verlaagt. Ze wordt uitgedrukt in EV (exposure value), waarbij EV 0.0 de automatisch belichting is.Een instelling die de automatisch berekende belichting verhoogt of verlaagt. Ze wordt uitgedrukt in EV (exposure value), waarbij EV 0.0 de automatisch belichting is.

Bi-concave lens:

Een bi-concave lens is een eenvoudig, dubbelhol lenselement dat doorvallende lichtstralen doet divergeren (waaiervorming). Ook wel holle lens genoemd. De dioptriewaarde van een concave lens wordt voorafgegaan door een minteken. Dus bij de bi-concave lens zijn beide zijden hol. Als één zijde daarvan recht is, dan wordt er gesproken over een plano-concave lens. Naast de holle varianten zijn er ook nog de bolle lensen, allen behorende tot de eenvoudige lenssoorten. De verschillende eenvoudige lenssoorten uiteengezet:

Bi-convex lens:

Zie bi-concave lens

Blue hour:

Het bij fotografen geliefde blue hour ("blauwe uurtje") is het deel van de avondschemering waarbij het is nog niet helemaal donker is maar de straatverlichting en de lampen in de huizen reeds ontstoken zijn. Overigens is er een andere (Franse: l’heure bleu) school die juist de periode vlak voor zonsopgang als het “blauwe uur” beschouwt.

Blur:

Onscherp. Dit wordt binnen de fotografie veelal veroorzaakt door onjuiste focus of (te snelle) beweging van de camera of onderwerp.

Bokeh:

Bokeh drukt de kwaliteit van de onscherpte in een foto uit. Het gaat om de onscherpte die ontstaat doordat het de omgeving buiten het scherptevlak valt (Het vlak waarop scherp wordt gesteld en waarvoor en waarachter zich de scherptediepte afspeelt.) Bewegingsonscherpte valt hier niet onder. Een juiste bokeh geeft een uitgelicht scherp onderwerp met een dusdanige beperkte scherptediepte dat de omgeving nagenoeg een wazig geheel vormt. Een minder goed bokeh is als men bij een foto bijvoorbeeld wazig bomen op de achtergrond ziet, maar dusdanig nog de takken onderling te zien zijn dat het nog steeds druk aandoet en geen steriele achtergrond vormt.

De kwaliteit van de bokeh (beperkte scherptediepte) in een foto is veelal afhankelijk en beïnvloedbaar door het aantal diafragmalamellen en de diafragmaopening (F1.4 of F2.8). Des te meer diafragmalamellen des te beter in dit geval. En hoe groter de diaframawaarde ingesteld staat (F1.4) hoe beperkter de scherptediepte. Het woord is overgenomen van het Japanse woord 'boke' wat 'onschertpe' betekend.

Bracketing:

Bracketing is een Engelse term voor het maken van een reeks van foto's waarbij een bepaalde instelling steeds iets verandert. Veelal heeft dit invloed op de belichting. Zo kun je als voorbeeld een reeks van de foto's maken met 1 stop onder-, 1 stop overbelicht en een 3e foto met 0 stop belicht.

Brandpunt:

Het brandpunt is het belangrijkste kenmerk van een cameraobjectief als we het hebben over toepassingsmogelijkheden. Bij een zuivere lens komen alle parallel lopende lichtbundels in hetzelfde punt achter de lens bijeen, het zogenaamde brandpunt. Bij een cameraobjectief is dit alleen het geval als de camera op oneindig staat scherp gesteld. Dit punt is het brandpunt, vaak "F" genoemd in de literatuur.

Vroeger was de brandpuntsafstand een indicatie voor het soort lens dat we gebruikten. Een 35m was bijvoorbeeld een licht groothoekobjectief. Maar zetten we nu die 35mm op een digitale camera met een cropfactor 1,6 dan zien we dat dit overeenkomt met een objectief voor film van 1,6 * 35mm = 56mm, wat dus ongeveer de gebruikelijke waarde voor een normaal of standaardobjectief is.Het standaardobjectief voor een middenformaat camera (6×6 of 6×7) is bijvoorbeeld 80mm

Brandpuntafstand:

Dit is de afstand in millimeters tussen de CCD-sensor van een digitaal fototoestel (of de film van een analoog fototoestel) en het centrum van de lens. Een korte brandpuntsafstand levert een breedhoekopname (ook wel groothoek genoemd); een lange brandpuntsafstand zorgt voor een tele-effect. Bij digitale camera’s wordt de brandpuntsafstand meestal ook uitgedrukt als equivalent aan een 35-mm filmcamera. Brandpuntsafstand wordt vaak "f" genoemd in de literatuur.

Brekingsindex:

De brekingsindex is de mate waarin licht door een lens wordt afgebogen. Deze breking vindt plaats op de scheiding van glas en lucht en komt dus bij elke lens tweemaal voor. De index wordt gebruikt om de hoek van breking te berekenen. Niet alleen glas kent een brekingsindex, maar ook bijvoorbeeld water. Dit zorgt ervoor dat als we een stok in het water steken dat deze een knik lijkt te hebben aan het wateroppervlak.

Buiten gamut:

We spreken van kleuren die buiten gamut liggen als deze niet binnen het kleurenbereik dat een bepaald apparaat kan produceren meer liggen. Kleuren met in werkelijkheid een lichte nuance zien er dan bijvoorbeeld exact hetzelfde uit.

Bulb:

Op veel camera’s vinden we de B-stand, wat een afkorting is voor Bulb. Deze bulbstand is bedoeld voor het maken van opnamen met een lange sluitertijd. De sluiter gaat open bij het indrukken van de ontspanknop en sluit weer wanneer deze wordt losgelaten. De bulb stand wordt dan ook veel gebruikt voor avond en nachtopnamen.

Camera obscura:

De camera obscura ofwel donkere kamer was de naamgever en de voorloper van de huidige fotocamera waarbij in een donkere ruimte het beeld geprojecteerd werd door een klein gaatje in één van de wanden. Het schijnt dat men het verschijnsel in de tijd van Aristoteles al kende, al had men er toen uiteraard geen toepassing voor. De techniek kent nog een groot aantal liefhebbers in de vorm van pinhole fotografie.

Camera toss:

De camera toss techniek is een vorm van fotograferen voor mensen die veel van experimenteren houden en weinig medelijden met hun camera hebben. Het camera toss principe komt er op neer dat je de camera op de zelfontspanner zet (of gebruik maakt van een draadloze afstandsbediening) en hem daarna zo ver mogelijk wegwerpt of wegslingert. Het resultaat is qua foto natuurlijk totaal onvoorspelbaar, de camera zal na een aantal keren “camera tossing” waarschijnlijk ook niet overleven. Op google zijn de nodige afbeeldingen te vinden.

CCD-sensor:

Charged-Coupled Device: een chip die opgebouwd is uit lichtgevoelige receptoren. Op de CCD-chip zit een kleurenfilter, zodat elke receptor slechts één van drie primaire kleuren rood, groen en blauw registreert. De informatie die de CCD-chip opvangt, wordt door de software in de camera geconverteerd tot een digitaal beeldbestand dat bestaat uit pixels. Daarbij wordt de primaire kleur die een receptor heeft opgevangen, aangevuld op basis van beide andere primaire kleuren die door de omliggende receptoren werden opgevangen - een proces dat primair als demosaicing bekend staat, maar ook als Color Filter Array (CFA) interpolation (kleurenfilter matrix interpolatie) en color reconstruction (kleuren reconstructie).

Close up:

Veelal wordt hier het onderwerp (door inzoomen of dichtbij staan) van dichtbij gefotografeerd. Andere varianten zijn: midshot waarbij het onderwerp er gedeeltelijk (meestal voor de helft, de buste) op komt te staan of totaalshot waarbij een onderwerp of persoon in geheel gefotografeerd wordt.

Complementaire kleuren:

We spreken van complementaire kleuren bij kleuren die recht tegenover elkaar liggen op de zogenaamde kleurencirkel. Geel en violet, rood en groen alsmede blauw en oranje zijn complementaire kleuren. De eigenschappen van complementaire kleuren zijn van belang bij het opbouwen van een kleurencompositie. Een groot voordeel van complementaire kleuren is dat ze prima met elkaar in harmonie zijn. Ook plegen deze kleuren elkaar te versterken als ze naar elkaar worden gebruikt. Schilders zijn bekend met het feit dat complementaire kleuren elkaar als het ware vernietigen. Mengen levert altijd een vorm van zwart op of een kleur die daar zeer dicht bij ligt.

Convergerende lens:

Een convergerende lens is in het midden dikker dan aan de randen. Het is een bolle lens. Een convergerende lens laat de lichtbundels in één punt samenkomen (brandpunt), in tegenstelling tot de divergerende of holle lens die de lichtbundels juist verstrooit in waaiervorm.

Crop (croppen):

Een deel van de originele foto weglaten, of de foto vergroten zodat delen buiten beeld vallen zodat het de compositie ten goede komt. Onder croppen verstaan we dus het bijsnijden van een foto tijdens de nabewerking zodat er eigenlijk een kleiner deel wordt gebruikt. Het croppen op zich staat nog wel eens ter discussie omdat veel fotografen van mening zijn dat je de opname met de camera maakt en niet naderhand op de computer. Echter is het croppen (bijsnijden) noodzakelijk indien je wilt afdrukken in een andere formaat dan dat de foto genomen is (zie ook Aspect Ratio)

DRI:

Dynamic Range Increase is in grote lijnen dezelfde techniek als HDR dat dus zorgt voor een groter dynamisch bereik van van je foto. Lees dus ook eerst wat HDR is.
Met die kennis is er echter 1 verschil tussen DRI en HDR. Een DRI wordt ook gedistilleerd uit meerdere foto's met meerdere belichtingen alleen heeft de fotograaf toch maar 1 foto in RAW-formaat geschoten als origineel. Wat je dus doet is verschillende belichtingen trekken uit 1 RAW foto. De rest van de procedure is gelijk aan die van de HDRI techniek.

Diafragma:

Een schermpje met verstelbare opening tussen de lens en de sluiter, waardoor het licht op de CCD-sensor valt. Hoe groter deze opening, hoe meer licht er per tijdseenheid op de CCD valt. De grootte van de opening wordt gemeten in F-getallen (zogeheten F-stops) zoals F1.4, F4, F5.6. Hoe groter het F-getal, hoe kleiner het diafragma. Elke opeenvolgende F-stop op een camera laat half zoveel licht door. Dus F4 laat de helft meer licht door dan F5.6.

Vuistregel bij het diafragma is:
Hoe groter het F getal, hoe kleiner het diafragma (opening).
Hoe kleiner het diafragma, hoe minder licht er op de sensor valt.
Hoe minder ligt er op de sensor valt, hoe scherper het totale beeld rond je focus.

Andersom geldt:
Hoe kleiner het F getal, hoe groter het diafragma.
Hoe groter het diafragma, hoe meer licht er op de sensor valt.
Hoe meer licht er op de sensor valt, hoe onscherper het totale beeld rond je focus.

Diafragmeren:

We spreken van diafragmeren wanneer we kiezen voor een hogere diagfragmawaarde, dus voor een kleinere lichtopening. Er komt bij diafragmeren dus minder licht door de lens. Voordelen van diafragmeren zijn meestal dat de kwaliteit van het objectief iets toe kan nemen en dat de scherptediepte toeneemt. Mensen die graag een onscherpe achtergrond hebben proberen het diafragmeren juist zoveel mogelijk te voorkomen (zie ook Bokeh).

Dispersie:

Dispersie is in de fotografiewereld een andere benaming voor chromatische abberatie, een optische fout van lenzen en lenzensystemen die ontstaat doordat licht van verschillende golflengten niet in dezelfde mate wordt gebroken aan de lensoppervlakken. De oorzaak hiervan noemen we dispersie (kleurschifting).

Distorsie:

Distorsie is de mate van vertekening van een objectief veroorzaakt door het feit dat er geen objectief zonder lensfouten bestaat. Distorsie is de officiële naam voor vertekening. Bekende vormen van distorsie zijn de kussenvormige vertekening en de tonvormige vertekening.

En-Face / En-Profile:

En-profile: portretfoto waarbij het gezicht van opzij gefotografeerd wordt. De andere variant van een portretfoto is waarbij het gezicht van voren wordt gefotografeerd: en-face.

EXIF:

Het Exchangable Image Format is een JPEG-variant waarbij naast het beeld zelf ook andere gegevens bewaard worden, zoals het cameratype, de datum van de opname, diafragma, sluitertijd en zoomfactor. Beeldbewerkingssoftware bevat meestal een functie om de EXIF-informatie te tonen.

F-stop:

De zogenaamde F-stop is de reeks getallen waarop het diafragma wordt ingesteld. In de literatuur komen we dan bij de vermelding van een diafragmawaarde zoals F/3.5 of F/11. Elk objectief kent een grootste opening, bijvoorbeeld F/1.4 en een kleinste opening, bijvoorbeeld F/32. Het is daarbij soms verwarrend dat bij een kleiner F-getal een grotere opening hoort. In plaats van de notatie “F/” komen we ook “1:” tegen. De notatie wordt dan bijvoorbeeld 1:2.8. Voor de interpretatie maakt dit verder niet uit.

Fisheye objectief:

Een fisheye of fisheye-objectief fotografeert letterlijk alles wat vóór dit objectief zit met een beeldhoek van niet minder dan 180 graden. Een fisheye levert een ronde afbeelding op film of sensor, waar uiteraard alles fors vertekend op staat. Met name ronde voorwerpen die dichtbij zijn worden extreem uit hun vorm getrokken. Ook alle lijnen lopen krom om het middelpunt van de lens gebogen. De meeste fisheye objectieven hebben een brandpunt van minder dan 16mm. Gebruikelijk zijn waarden tussen de 8 en 16mm voor kleinbeeld of fullframe formaat. Vanwege de grote beeldhoek worden er vaak onbedoeld details meegefotografeerd als schoenen, een klep van een pet of een poot van een statief. Een fisheye wordt relatief weinig gebruikt. Voor de meeste toepassingen is het effect net iets te sterk en deze objectieven zijn tevens vaak fors aan de prijs.

Flare:

Een flare is een (vage) lichtstreep die veroorzaakt wordt door een inwendige reflectie op een lensdeel of lenselement. Een flare manifesteert zich op twee manieren; een zichtbaar voorwerp en als een waas over het beeld. Deze waas/nevel maakt het beeld  eem "gewassen" uiterlijk door het verminderen van het contrast en de kleurverzadiging.

Floodlight:

Een floodlight is een fotolamp voor algemene verlichting, die een grote hoeveelheid licht geeft over een groot oppervlak. Een floodlight is voorzien van een brede reflector rond de lamp die zorgt voor diffusie van het licht. Een floodlight geeft daardoor zachte, wat vervloeiende randen aan schaduwen.

FPS:

Met de afkorting FPS, wat staat voor Frames Per Second, wordt de capaciteit van een digitale camera aangeduid om foto’s te maken en in een buffer op te slaan.

Grijskaart:

Een grijskaart is een lichtgrijs plaatje karton dat een keer wordt meegefotografeerd en dat dient als referentie om later de “echte” kleuren te kunnen herstellen bij een afwijking van het licht. Ook de belichting kan hier achteraf mee worden bijgesteld. Een standaard grijskaart reflecteert 18% van het licht. We spreken daarom ook wel van een 18% grijskaart.

Groothoek objectief:

Een groothoeklens of groothoekobjectief is een objectief dat meer “ziet” dan het menselijk oog, waardoor er dus meer op de foto komt. Heeft het nadeel daardoor nogal wat vertekening te geven, vooral van dichtbij. De sterk vergrote beeldhoek wordt tenslotte toch in een gewone beeldhoek geperst. We spreken van een groothoek als de beeldhoek groter dan 50 graden is. Zie ook brandpunt. Bij een kleinbeeld is een duidelijke groothoek 24mm, bij middenformaat 50mm en bij groot formaat 90 mm. Een zeer sterk groothoekobjectief heeft hebben meer het gedrag van een fisheye, alhoewel beide soorten objectieven zowel qua bouw als gebruik weinig met elkaar te maken hebben.

Gulden snede:

Bij de orginele gulden snede wordt het beeld horizontaal verdeeld in een deel van 68% van het beeld en een deel van 32% van het beeld. De gulden snede is wellicht één der bekendste compositietechnieken die bijvoorbeeld in veel historische gebouwen is terug te vinden.

Haze filter:

Het haze-filter is een vrijwel kleurloos filter dat bedoeld is om de waas die bij landschapsfoto’s in de verte hangt, te doen verminderen. Evenals bij het UV-filter wordt ook het haze-filter nog wel eens gebruikt om een objectief te beschermen, waarbij uiteraard dezelfde bezwaren van mogelijke storende effecten gelden.

HDR:

High Dynamic Range (ook wel genaamd: High Dynamic Range Imaging (HDRI)) is een techniek dat zorgt voor een groter dynamisch bereik van lichtsterktes tussen donkere en lichte gebieden binnen een fotografische scene ten op zichte van normale digitale fototechnieken.

M.a.w. als je 1 foto neemt van een scene, dat zorgt een (tegen)lichtbron vaak voor verkeerde lichtmeting of witbalans waardoor de lichte gedeeltes vaak uitgebeten vlekken worden in de foto. Deze witte vlekken bevatten ook geen informatie meer en is dus met fotobewerkingssoftware niet meer terug te halen. Om dit te voorkomen, kun je natuurlijk in dergelijke situatie gaan onderbelichten met je camera, echter blijft het kiezen tussen 2 kwaden, want dat zorgt ervoor dat in de schaduwpartijen en donkere gedeeltes geen doortekening meer te vinden is. Meedere foto's nemen, elke met een verschillende belichting (minimaal 3) biedt dan soelaas. Deze foto's verenig je dan middels de HDR techniek en gebruikt als het ware de schaduwpartijen van de overbelichtte foto('s) voor een juiste doortekening en de hooglichten van de juist onderbelichtte foto's om uitgebeten vlekken in de foto tegen te gaan. De 'normaal' belichte foto wordt ingezet als uitgangspunt.

Zoals reeds benoemd is het dus een must om minimaal 3 foto's te maken met verschillende stops aan belichting. Veelal zit deze mogelijkheid op camera's met de functie bracketing. Bracketingopname met 2 stops belichtingsverschil wil zeggen dat foto 1: -2 stops genomen wordt, foto 2: op 0 stops, en foto 3: op +2 stops. (-2,0,2). Programma als Photomatix van HDRsoft of HDR Efex Pro van Nik Software kunnen de foto's met verschillende belichtingen samensmeden tot een HDR foto.

High key:

High key is een vorm van fotografie waarbij wit de hoofdrol speelt en het onderwerp zoveel mogelijk in tere lijnen en vaak in lichte grijstinten wordt weergegeven waarbij er sprake kan zijn van enkele accenten in een afwijkende kleur. Het is bij high key fotografie meestal de bedoeling om fijne, tere, delicate stemmingen uit te drukken. Een zeer sterke overbelichting geeft al een high key effect. High key is het tegenovergestelde van Low key.

Invulflits:

Een invulflits wordt gebruikt om het contrast van een foto terug te dringen. Bijvoorbeeld een persoon tegen een lichte lucht zal heel donker of zelfs als een silhouet afgebeeld worden door het tegenlicht. Om dat te voorkomen wordt er gebruik gemaakt van een flitser om de donkere partij (of object in het tegenlicht) op te lichten middels een zogenaamde invulflits. Er bestaan zelfs speciale dubbel uitgevoerde flitsers met extra mogelijkheden voor een invulflits bij het flitsen zelf.

ISO waarde:

De lichtgevoeligheid van een niet digitale ouderwetse chemische film wordt uitgedrukt in ISO-waarden (50, 100, 200 of 400) (ISO: International Organization for Standardization). Hoe gevoeliger de film, hoe minder licht er nodig is om een goede opname te maken. De licht gevoeligheid bij digitale fotografie zit in de electronica verwerkt. De CCD-chip in een gewone digitale camera heeft een lichtgevoeligheid die equivalent is aan ISO 100. Zie ook ASA - American Standard Association.

Bij sommige digitale camera’s kunt u een hogere ISO-waarde instellen; het signaal dat de receptoren op de CCD-chip opvangen, wordt dan elektronisch versterkt. Hierdoor stijgt echter ook de signaal/ruisverhouding, hetgeen tot storende foutjes in de opname kan leiden.

JPG / Jpeg:

De afkorting staat voor Joint Photographic Experts Group, de organisatie die dit digitale bestandsformaat ontwikkelde. JPEG comprimeert digitale beelden zodat die minder ruimte innemen, maar in tegenstelling tot TIFF-compressie gaat hierbij informatie verloren. Elke keer als u een JPEG-beeld opent en bewerkt, wordt het opnieuw gecomprimeerd. Als u een beeld intensief wilt bewerken, bewaart u het dan als TIFF of in RAW-formaat. Is de bewerking klaar, slaat u het definitieve bestand kunt u daarna wel alsnog als JPEG op.

Kleinbeeldnegatief:

Een kleinbeeldnegatief is het negatief van een kleinbeeldcamera, dus een camera die een 35mm film gebruikt. Het negatief is 24 x 26 mm en wordt ook vaak als referentie gebruikt voor het bepalen of een digitale camera een fullframe camera genoemd mag worden of dat er sprake is van een kleinere sensor die een cropfactor voor de gebruikte objectieven veroorzaakt. Ook deze cropfactor wordt dan ten opzichte van een kleinbeeldnegatief berekend.

Kleurzweem:

Het begrip kleurzweem wordt vaak gebruikt in plaats van zweem. Het wil zeggen dat er een bepaalde kleur onbedoeld of zelf op hinderlijke wijze aanwezig is op een foto. Er zijn veel oorzaken voor kleurzweem bekend, zoals het licht (oranje kleurzweem bij een zonsondergang), ontwikkelfouten bij film, verkeerde instellingen bij nabewerken of een verkeerd gekozen witbalans. Met de moderne nabewerkings-software is kleurzweem meestal wel goed en eenvoudig te verhelpen.

Lomografie:

Lomografie is een redelijk nieuw fenomeen in de fotografie. De naam komt van een eenvoudig cameraatje, de Lomo Compact Automaat (LC-A), dat werd gemaakt in Sint-Petersburg, Rusland. Deze camera is in 2005 uit productie genomen. Er zijn echter vele (ook simpele digitale) camera's speciaal gemaakt die vier opnamen snel na elkaar maken voor deze lomografiestroming binnen de fotografie. Ook wordt er wel gebruik gemaakt van oude camera’s die wat mankementen vertonen. Het is meestal slecht te voorspellen wat er nu eigenlijk op de opname komt maar dat is nu juist één van de charmes van de lomografie. De opnamen zijn fototechnisch van een schrikbarend slechte kwaliteit maar het fenomeen lomografie kent een grote groep liefhebbers. Lomografie heeft een nonchalante, terloopse manier van fotograferen: zonder te kijken, vanuit de heup en zonder na te denken. Het doet er niet toe of de foto nu scherp of bewogen is. Iemand die de lomografie bedrijft, noemt men een lomograaf.

De tien gouden regels van de lomografie:

  • Neem je camera overal mee naartoe;
  • Gebruik 'm altijd, dag en nacht;
  • Lomografie is een deel van je leven;
  • Oefen met opnames uit de losse hand;
  • Ga zo dicht mogelijk bij het onderwerp staan;
  • Denk niet na;
  • Wees snel;
  • Je hoeft niet van tevoren te weten wat er op de foto staat;
  • Achteraf trouwens ook niet;
  • Maak je niet druk over deze regels.

Low key:

Low key is een vorm van fotografie waarbij zwart voorop staat en het onderwerp vaak in donkere grijstinten en veel zwart wordt weergegeven. Meestal wordt het beeld dan voor een groot deel gevormd door enkele lichte accenten. Low key is het tegenovergestelde van High key. Bij een sterk onderbelichte foto verkrijgt men veelal al het low key effect.

Macro fotografie:

De macro modus op een camera stelt men in staat om close-upopnames te maken, soms al op een afstand van twee cm van de lens. Digitale macro fotografie gaat om het fotograferen van objecten en personen op korte tot zeer korte afstand. Er wordt ingezoomd op het object vlak voor de lens, waardoor de achtergrond wat waziger wordt. Ook zijn er speciale macro-objectieven te verkrijgen die dedicated voor dat doeleind zijn ontworpen, of macro-voorzetlenzen om een reguliere lens toch die optie mee te geven. Bij digitale spiegelreflexcamera's kan een onderwerp nog sterker uitvergroot worden met een objectief door gebruikt te maken van zogeheten tussenringen, die dan het brandpunt van de lens verleggen.

De meeste macro-objectiven halen een afbeeldingsmaatstaf van 1 op 1 maar er zijn ook versies in de handel die tot 2 op 1 gaan en daarmee dus al een vergroting van het onderwerp op de sensor of een negatief geven. We vinden macro-objectieven vooral in de brandpuntafstanden van 50 tot 135 mm, omdat je bij kortere brandpuntsafstanden te dicht op het onderwerp moet kruipen en bij langere afstanden is de boel niet of nauwelijks scherp meer te stellen.

Matglasje:

Het matglas is het onderdeel van de spiegelreflexcamera waarop het beeld geprojecteerd wordt en waarop scherpgesteld wordt. Het matglas kan voorzien zijn van hulpmiddelen voor het scherpstellen zoals bijvoorbeeld microprisma’s, een instelwig en soms is het matglas voorzien van lijnen om te helpen een bepaalde compositie te bereiken. Bij de betere camera’s is het meestal mogelijk om het matglas te verwisselen voor een ander. Er zijn via internet de nodige gespecialiseerde fabrikanten te vinden.

Micro fotografie:

De volgende stap in vergroting na macrofotografie is de micro fotografie Dan praten we over een afbeeldingsmaatstaf van 20 of meer. Micro fotografie lukt alleen nog met speciale hulpmiddelen zoals een microscoop. Meestal wordt dan het oculair van de microscoop vervangen door een verbindingsstuk direct op de camera.

Negative meniscus lens:

Zie bi-concave lens

Objectief:

Vaak wordt een objectief een lens genoemd, echter is dit fout. Een objectief is immers een geheel van een aantal lenselementen met een bepaalde fotografische eigenschap. We kennen objectieven in allerlei soorten met een bepaald doel. Standaard is het normaal objectief met een brandpunt van ongeveer 50mm bij een analoge of digitale fullframe kleinbeeldcamera en 35 mm bij een digitale camera. De beeldhoek van een dergelijk objectieven is te vergelijken met die van het menselijk oog. Alle lagere waarden met een grotere beeldhoek geven een groothoek effect, alle hogere waarden met een kleinere beeldhoek geven een tele-effect. Een objectief kan een vast onderdeel van een camera zijn maar kan ook verwisselbaar zijn, wat we vooral vinden bij spiegelreflexcamera’s zodat ze te verwisselen zijn. Daarnaast zijn er objecten zie zowel groothoek als tele in één objectief herbergt (bv. 18-250 mm).

Out of bounds:

Een ‘out of bounds’ (OOB) is een bewerking van een foto waarbij met behulp van een kader eventueel ondersteunt door schaduwen een deel van de foto of onderwerp van een foto buiten het kader valt terwijl het resterende netjes binnen de afkadering blijft, waardoor een ruimtelijk effect en / of 3D-effect wordt gecreëerd.

Perspectief:

Het perspectief is het standpunt waar vanuit een onderwerp bekeken wordt. Bij een foto in kikkerperspectief (kikker standpunt) wordt de foto van onderaf genomen. Het onderwerp van de foto bevindt zich hoger dan de maker van de foto. (Zoals een kikker omhoog kijkt tegen een mens). Bij een foto in vogelperspectief (vogel standpunt) wordt de foto van bovenaf genomen. Het onderwerp van de foto bevindt zich lager dan de maker van de foto. (Zoals een omlaag kijkt op een mens).

Met een lijnperspectief is het mogelijk om diepte in afbeeldingen weer te geven. Dit valt ook te herkennen in foto's. De schuine lijnen verdwijnen hierbij altijd naar een gezamelijk 'verdwijnpunt' dat ligt op een horizontale lijn aan de horizon.

Verticale lijnen worden over het algemeen rechtopstaand behouden. Verticale lijnen voorin de foto lijken groter dan verticale lijnen in de achtergrond (in werkelijkheid kunnen ze bijvoorbeeld even hoog zijn, maar door de perspectiefwerking lijkt het alsof hetgeen op de voorgrond staat groter is dan hetgeen in de achtergrond van de foto).

Pinhole photography:

Pinhole  fotografie is foto’s maken met een camera zonder lens. Het principe is eenvoudig: in een lichtdichte doos wordt aan de ene zijde een klein gaatje gemaakt en aan de andere zijde plaatsen we een lichtgevoelig materiaal (film of fotopapier). Het licht doet de rest.

Waarom pinhole? Hierop is geen simpel antwoord te geven: pinhole is fotografie in zijn meest elementaire vorm. Hier ben je niet gebonden aan de mogelijkheden die camera fabrikanten in steeds fraaiere camera’s aanbieden. Integendeel, je wordt gestimuleerd om, in volledige vrijheid, je creativiteit volledig te benutten. Je gaat de realiteit anders bekijken. Pinhole fotografie is foto’s maken met je bewustzijn. Wie voor het eerst in contact komt met pinhole fotografie maakt zich nogal eens de bedenking: “Waarom houden jullie je bezig met onscherpe foto’s?” Wie echter de eerste stappen zet krijgt snel voeling met pinhole en beleeft veel meer fun aan fotograferen. Pinhole fotografie is leuk om te doen door de eenvoud (geen lens met lensafwijkingen) en de oneindige scherptediepte.

Pixel:

Pixels (picture element) zijn de bouwstenen van digitale beelden. Elke pixel heeft een bepaalde kleur, die bepaald wordt door de hoeveelheid groen, rood en blauw (RGB) in de pixel. Een foto, maar ook een video of het beeld van TV bestaat uit erg veel van deze pixels. Des te kleiner de picture des te meer er passen binnen een vierkante centimeter, des te scherper het beeld. Bij de HD (High Defenitions) techniek heeft men de pixels dusdanig verkleind dat er meer pixels opgebouwd uit beeldlijnen en beeldkolommen op hetzelfde scherm of medium passen.

Plano-concave lens:

Zie bi-concave lens

Plano-convex lens:

Zie bi-concave lens

Positive meniscus lens:

Zie bi-concave lens

Pose:

Bepaalde houding van een model die aangenomen wordt voordat een foto gemaakt wordt.

Prime objectief:

Een prime is een objectief met een vaste brandpuntsafstand. Een zoomobjectief kan natuurlijk een aantal primes vervangen maar toch zijn er zat fotografen die zeer gehecht zijn aan hun prime lenzen. Ze hebben zeker ook voordelen. Zo is in het algemeen de lichtsterkte van een prime groter en vaak is de scherpte een fractie tot soms stukken beter. Nadeel is echter dat je er een heleboel mee moet nemen en dat de kosten van een aantal prime objectieven flink op kunnen lopen ten opzichte van één enkele zoom.

RAW:

Het RAW-beeldformaat bevat de informatie zoals die door de CCD-sensor wordt vastgelegd, zonder dat die door de camerasoftware verwerkt wordt tot een TIFF- of JPEG-bestand. U moet RAW-bestanden op een pc importeren en daar de verdere bewerking uitvoeren. Het voordeel van RAW foto's is dat RAW een zuiver ‘digitaal negatief’ is, en niet beïnvloed door de verwerkingsalgoritmes (zoals verscherping, compressie e.a.) in de camera.

Repoussoir:

Een beeld op de voorgrond dat er voor zorgt dat de achtergrond meer moet wijken. Zorgt voor dieptewerking in foto's. Een schoon voorbeeld is een landschap fotograferen door een opening van bomen op de voorgrond.

Resolutie:

Bij digitale camera’s moeten we twee soorten resolutie onderscheiden. Er is de hardwarematige resolutie van de CCD-sensor, die aangeeft hoeveel honderdduizenden of miljoenen sensoren de CCD bevat. Hoe meer sensoren, des te scherper het beeld dat de CCD kan vastleggen.
En er is een beeldresolutie. Het licht dat de CCD registreert, wordt dan omgezet tot een digitaal beeld dat opgebouwd is uit pixels, bijvoorbeeld 1.600 x 1.200 pixels of 640 x 480 pixels. Omdat niet alle informatie van de CCD vertaald kan worden, ligt de maximale resolutie van de digitale foto’s per definitie zo’n tien procent lager dan de hardwareresolutie van de CCD.

Foto's, video's en pixels horen tegenwoordig ook bij elkaar. Voor de resolutie van een foto afdruk of video(beeld) geldt de regel: hoe hoger de resolutie van de foto of het videobeeld, hoe scherper de foto afdruk of videobeeld is.

Schertpediepte:

Scherptediepte is de afstand tussen het dichtsbijzijnde onderwerp en het meest verafgelegen onderwerp en welke bereik daartussen scherp is.
Bij diafragma hadden we gesteld: hoe groter het F getal, hoe kleinder het diafragma, hoe minder licht er op de sensor valt, hoe scherper het totale beeld rond je focus. Dus hoe kleiner het F getal, hoe groter het diafragma, hoe meer licht er op de sensor valt, hoe onscherper het totale beeld rond je focus.

Praktijk voorbeeld: een foto genomen van een tafel met o.a. een glas water waarop je de focus legt. De foto genomen van de gehele tafel met een diafragma van F1.4 zorgt ervoor dat het glas water scherp is, echter de rest van de onderwerpen op die tafel en mogelijk de tafel zelf al vrij wazig en blurry overkomt. Dezelfde foto genomen met een diafragma van F11 resulteert in de gehele linie scherpte. Let wel dat hier dan wel veel meer licht bij nodig is of een ondersteuning van een flitser aangezien anders de foto onderbelicht wordt of de sluitertijd te lang wordt om vanuit de hand te fotograferen.

Sepia:

De kleur sepia werd vroeger gebruikt in plaats van zwart-wit. Sepia of sepiatoning refereert aan de kleuren van zwart-wit foto's die door middel van een sepia proces behandeld zijn. In dit proces worden de zwart gekleurde zilverdeeltjes omgezet in verbindingen met een bruinige kleur die sepia genoemd wordt. Het wordt nu nog gebruikt (middels nabewerkingssoftware) om een foto een “oud” effect mee te geven. Er is niet één kleur bekend als sepia, de term omvat een kleurgebied van gele en bruine mixen.

Sluitertijd:

De sluiter is een schermpje tussen de lens en de CCD-sensor van de fotocamera dat een bepaalde tijdsfactor open gaat om licht door te laten. Hoe snel dit open en dicht gaat wordt de sluitertijd van een digitale camera genoemd oftewel de tijdsfactor.
Sluitertijd wordt uitgedrukt in fracties van een seconde, bijvoorbeeld 1/25 voor een sluitertijd van één vijfentwintigste seconde. Voor actieopnames hebt u sluitertijden van 1/200 of sneller nodig; voor nachtopnames van de sterrenhemel zijn sluitertijden van meerdere seconden tot zelfs minuten nodig (zie bulb).

Spiegelreflex:

Spiegelreflex is een ingebouwd systeem in een camera, waarbij je als je door de zoeker kijkt, door middel van spiegels in de camera die reflecteren wat er op de lens valt, hetgeen ziet wat eigenlijk door de lens gezien wordt. Digitaal spiegelreflex duidt vervolgens op de manier waarop de foto's zijn opgeslagen. Niet meer analoog op een fysieke film of fotorolletje, maar digitaal op een digitaal medium zoals een memorystick, flash card of soortgelijk flash-geheugenmedia.

Stereo fotografie:

Bij stereofotografie worden er in plaats van één, twee beelden gemaakt die door gelijktijdig bekijken een diepte-effect geven. Het principe van stereofotografie komt uit de luchtfotografie waar men het gebruikte voor militaire doeleinden. De beelden worden bekeken met speciale brillen die ofwel gebruik maken van 2 primaire kleuren ofwel van polarisatie. Deze brillen voegen het beeld voor het oog weer samen. Ook bestonden er speciale diaviewers waarmee twee dia’s tegelijk bekeken konden worden.

Gezien de opmars van driedimensionale speelfilms, waarbij Avatar de trend gezet heeft, en de mogelijkheid van driedimensionale flatscreens mogen we verwachten dat we de komende jaren nog heel wat ontwikkelingen op het gebied van de stereofotografie langs zullen zien komen.

Stitching:

De techniek van stitching is het aan elkaar bevestigen van digitale foto’s door het verbinden van belangrijke punten in het beeld waardoor een grotere, breedbeeld opname ontstaat. Stitching is populair voor het vervaardigen van panoramafoto’s.

Strijklicht:

Licht dat zijwaarts (bijna parallel) op het onderwerp van de foto valt. Het 'strijkt' als het ware langs het onderwerp, waardoor alle oneffenheden extra geaccentueerd worde. De bijzondere elementen van het onderwerp van de foto komen hierdoor nog mooier naar voren.

Strobist:

Normaal gesproken spreken we over het flitsen waarbij de flitser op de camera is geplaatst. Dit flitslicht zal altijd van voren komen en creatief flitsen blijft hierdoor natuurlijk beperkt aangezien alleen de hoek op de flitser zelf veelal te bepalen is. Een andere mogelijkheid van flitsen is dat de flitser los van de camera gebruikt wordt waardoor er een vrijheid ontstaat voor creatief verlichten doordat de niet alleen de hoek op de flitser is in te stellen (afhankelijk van de flitser), maar ook de complete positie los van de camera te bepalen is. Het werken met de flitser los van de camera noemen we 'strobist'. Kort gezegd is strobist fotografie een vorm van licht manipulatie, met behulp van 1 of meerdere flitsers die je los van je camera gebruikt doormiddel van draadloze remote’s en receiver’s die je op je flitser en camera aansluit, waarna je doormiddel van je flitser op bijvoorbeeld een statief te plaatsen de flits op verschillende manieren kunt manipuleren rondom het object of persoon die je wilt fotograferen.

Sweet spot:

De sweet spot is het diafragma van F/8 of F/11 dat veel simpele camera’s vast ingesteld hebben om een acceptabele scherpte en scherptediepte te hebben bij een redelijke belichtingstijd. Daarnaast levert een dergelijk diafragma meestal de beste lenskwaliteit. Wordt vrijwel altijd gebruikt bij niet-instelbare objectieven zoals het fixed focus objectief uit simpele camera’s.

Technische camera:

Een technische camera is een grootformaat camera bestaande uit een achterwand met de houder voor vlakfilm, filmcassette of polaroid en een voorkant waarin een met ingebouwde sluiter gemonteerd zit. Deze voorkant wordt ook wel lensplank genoemd. Voorkant en achterwand zijn onderling verbonden met een lichtdichte balg. Omdat zowel de voorkant als de achterwand in alle richtingen verstelbaar zijn kunnen allerlei correcties worden toegepast en daarmee ook allerlei effecten en mogelijkheden bereikt. Ondanks zijn klassieke uiterlijk is de technische camera de meest veelzijdige camera die er is. Inmiddels komen er ook versies op de markt waarbij de film in de achterwand wordt vervangen door een complete digitale camera, waardoor het beste uit twee werelden bereikt kan worden.

Tegenlicht:

Grote lichtbron die direct vanachter het onderwerp van de foto, de lens belicht. Normaal gesproken neem je de beste foto's, wanneer je de zon of een andere lichtbron achter je hebt staan. Op die manier belicht de lichtbron je onderwerp.
Bij tegenlicht maak je een foto 'tegen het licht' in. De lichtbron staat dus voor je, in plaats van achter je. Hierdoor kunnen foto's soms overbelicht raken, omdat de lens het niet goed aankan, maar het kan ook juist prachtige effecten veroorzaken.
Toplicht:

Grote lichtbron die van bovenaf het onderwerp van de foto belicht.

Tele objectief:

Een teleobjectief is een objectief met een brandpunt langer dan 50mm (analoog) of 35mm (digitaal), dat minder ziet dan ons oog. Maar omdat dit mindere toch beeldvullend wordt weergegeven lijkt het alsof het dichterbij gehaald wordt. Bij kleinbeeld spreken we van tele vanaf 100mm, bij middenformaat vanaf 180mm en bij grootformaat vanaf 360mm. 

TIFF:

Staat voor Tagged Image File Format, en is een compressietechniek waarbij - in tegenstelling tot JPEG - geen informatie verloren gaat en de beeldkwaliteit dus niet slechter wordt. Het nadeel is dat TIFF-bestanden bijna tienmaal groter zijn dan goede JPEG-bestanden, en dat u dus meer geheugenkaartjes nodig heeft.

TTL:

We spreken van TTL-meting als het licht door de camera wordt gemeten via het op de camera gemonteerde objectief. TTL-meting is een afkorting van Through The Lens. Het voordeel is, dat je echt het licht van het onderwerp meet en niet allerlei storende lichtbronnen of juiste hele donkere oppervlakken die toevallig in de buurt zijn. Vrijwel alle moderne digitale camera’s meten nu op deze manier het licht.

Tussenring(en):

Evenals bij het balgapparaat is een tussenring bedoeld om van zeer dichtbij fotografie en vooral macrofotografie te kunnen doen. De tussenring is in verschillende diktes te krijgen en worden tussen de camera en het objectief gemonteerd. Ook worden ze nog wel eens als setje van drie stuks aangeboden waarmee dan verschillende lengtes gecreëerd kunnen worden. Dichterbij instellen wordt dan mogelijk maar scherpstellen op grotere afstand en vooral op oneindig gaat niet meer lukken. De tussenring bestaat in een passieve versie waarbij alle communicatie tussen objectief en camera wordt uitgeschakeld en een actieve versie waarbij alle functionaliteit behouden blijft.

Urbex:

Urban exploring, Urbex of UE is het doorzoeken van meestal verlaten gebouwen en terreinen die voor het publiek (meestal) niet toegankelijk zijn. Het is ook de schoonheid van het verval fotograferen.

Ongeschreven gouden regel onder Urbexers:

TAKE NOTHING BUT PICTURE'S, LEAVE NOTHING BUT FOOTPRINTS.

Ook proberen de meeste urbanexplorers (urbexers ook wel genaamd) geen wetten te overtreden anders dan het zich begeven op terreinen (urban places) waar zij geen toegang toe hebben, volgens velen een "misdaad zonder slachtoffers". (Zie ook het artikel onder handleidingen)

Vignettering:

We spreken van vignetteren of het verschijnsel vignettering wanneer een foto donkere hoeken vertoont. Dit kan zowel tijdens de opname als bij het afdrukken gebeuren. Dis vignettering of lichtafval is het afnemen van de helderheid in de hoeken van een afbeelding of foto, ten opzichte van het midden. Ook een digitaal op een fullframe camera zorgt voor vignetteren. Andere oorzaken zijn een te dik filter op het objectief, een te kleine zonnekap of gebruik van het verkeerde model en soms is het domweg een objectieffout die na wat diafragmeren wel verdwijnt. Soms is het een bewust effect van de fotograaf om de aandacht naar het midden van het beeld te trekken.

Witbalans:

Verschillende lichtbronnen (zoals zonlicht, gloeilampen of TL-lampen) hebben een eigen kleurtemperatuur - ze bevatten verschillende hoeveelheden groen, rood en blauw licht. Hierdoor zien de kleuren van objecten onder verschillend licht er net iets anders uit - iets dat wij nauwelijks merken, omdat het menselijk brein erop getraind is om die verschillen weg te denken.

In een camera moeten de verschillen in kleurtemperatuur echter gecompenseerd worden. Dat gebeurt door het instellen van de witbalans - de combinatie van groen, rood en blauw die samen perfect wit oplevert. De witbalans kan automatisch ingesteld worden, maar op meer geavanceerde modellen kunt u ook de witbalans handmatig aanpassen aan het omgevingslicht.

Zoom objectief:

Een zoomobjectief of kortweg zoom is een objectief met een een brandpuntafstand die over een bepaald gebied qua lengte instelbaar is. Het zoomobjectief bestaat in een draaibare en schuifbare versie. Voor een digitale camera is de draaibare versie aan te raden omdat de uitschuifbare lucht met mogelijk stof naar binnen zuigt bij het uitschuiven. Dit stof kan dan neerslaan op de sensor. Uiteraard is een zoomobjectief een compromis ten opzichte van prime-objectieven. Zo is vaak de kwaliteit iets lager en de lichtsterkte is meestal minder. Daar staat de handige gebruiksmogelijkheden en het lichte gewicht van het zoomobjectief weer tegenover.


CCD-sensor:

Ch